De naam

Oorsprong van de naam

Het latijnse woord venerius is afgeleid van Venus, en betekent
1. (adj) van Venus; 2. zinnelijk; 3. onkuis.
(Bron: Aula woordenboekje van drs H.H. Mallinckrodt, Het Spectrum, 1959; pag. 325):

De Romeinse godin Venus was Aphrodite bij de Grieken en Astarte bij de Feniciërs.
Ze werd geboren uit het schuim van de zee bij het eiland Cythera. De oppergod Zeus gaf haar ten huwelijk aan de manke Hephaistos, de lelijkste van alle goden op de Olympus. Geen wonder, dat zij hem ontrouw werd en de stoere oorlogsgod Mars tot haar minnaar koos. Van hem, maar ook van andere goden kreeg ze kinderen. Venus is heel vaak afgebeeld in de kunst en bezongen in gedichten, onder meer door Shakespeare.

Venerari betekent o.a. ‘zijn liefde betonen’ en venerabilis is eerbiedwaardig.
Ook de familienaam Venerius of Venereus stamt van Venus, de godin van de liefde.
De Venerii waren tempelwachters of tempelslaven in de tempel van Venus Erycina.          De uitdrukking ‘dienaar van Venus’ impliceert wulpsheid, schrijft Charlton T. Lewis heel decent. Venerische ziekten zijn geslachtsziekten of zogenaamde soa. Als één der Venerii wordt genoemd Symmachus.
Het Franse ‘la vénerie’, dat ogenschijnlijk verwant lijkt met venerius, heeft een totaal afwijkende betekenis: jacht (met windhonden); jachtwezen, jachtstoet.

Waarschijnlijk in het kielzog van de veroveringen door Julius Caesar raakte de achternaam Venerius over noordwest Europa verspreid. ‘De naam bleef tot in de Middeleeuwen voortbestaan,’ staat te lezen in ‘Hispano-romanisches Namenbuch: Untersuchung der Personennamen vorrömischer, griechischer und lateinisch-romanischer Etymologie auf der Iberischen Halbinsel im Mittelalter (6.-12. Jahrhundert)’, een boek van Lidia Becker.
Misschien schrijft zij dit over het voortbestaan van de naam, omdat zij zich beperkt heeft tot de de periode tot 1200 na Chr. en verder geen uitspraken doet over de tijd daarna.

Voor Julius Caesar had Venus een bijzondere betekenis. De veroveraar van Gallië probeerde zijn bijzondere status in het Romeinse rijk glans te verlenen door te beweren, dat het geslacht van de Julii rechtstreeks van de godin afstamde* via Julius, de zoon van Venus en Aeneas. Voldoende reden voor de veldheer-keizer om in Rome een cultus te beginnen en een tempel voor Venus Gentrix te laten bouwen.
* Het standaard latijnse woordenboek (N-L en L-N) van Aerts, Vangenechten en Halsberghe (Antwerpen, Standaard 1989) vertaalt ‘Veneris prognatus’ dan ook als ‘Julius Caesar’.
In het oude Rome vierden vooral getrouwde vrouwen op 1 april de Veneralia ter ere van Venus Verticordia, ‘Wijziger van Harten’, de beschermvrouwe tegen de zonde. Maar zowel de Romeinse mannelijke als vrouwelijke hoeren vereerden Venus op 23 april.

Een Venus-worp is de hoogste worp, zeg maar Yahtzee of Topscore, in een oud Romeins dobbelspel, tali, dat werd gespeeld met knokkelbeenderen van schapen of geiten. De Venus-worp komt o.a. voor in een komedie van Titus Macius Plautus (ca. 254-184 voor Chr.) en bij Horatius.

De uitroep ‘Alea iacta est’ ofwel ‘de teerling is geworpen’ wordt dan weer toegeschreven aan Julius Caesar, toen hij aan de oever van de Rubicon kennelijk het lot met behulp van dobbelstenen had laten beslissen, of hij met zijn soldaten Rome binnen zou trekken en een burgeroorlog zou ontketenen of niet.

Historische personen met de naam Venerius

De achternaam Venerius is een naam, waarop men met trots mag zijn, want het waren niet de minste historische personen die deze naam droegen. Hier enkele voorbeelden:
– Venerius van Eichstätt
– aartbisschop Venerius van Marseille
– sint Venerius, aartsbisschop van Milaan
– patriarch Venerius
– de heilige heremiet en abt Venerius van Tino
– de patriarch Venerius van Grado
– de doge van Venetië  Franciscus Venerius en
– de doge Sebastianus Venerius
– de martelaar Antonius Venerius
– de schrijver Fortunatus Venerius
– de heilige Venerius von Palmaria

Venerius van Eichstätt

Venerius van Eichstätt is samen met de maagd Leontia alsmede Castus en Livonius als martelaar voor het geloof in Christus gestorven in de eerste eeuwen van onze jaartelling. Hun feest is op 1 maart. In het geval van Venerius van Eichstätt en de drie anderen is dit waarschijnlijk de dag, waarop deze martelaren van Rome naar Eichstätt zijn overgebracht. Aanvankelijk lagen zij begraven in een catacombe onder de stad Rome, maar in de middeleeuwen zijn hun stoffelijke resten overgebracht naar de Zuid-Duitse stad Eichstätt, zodat zij daar vereerd konden worden.

Aartsbisschoppen Venerius

Er blijkt van 431 tot 452 een aartbisschop Venerius van Marseille bestaan te hebben, voor zover we lijsten met hoogwaardigheidsbekleders niet met een korreltje zout moeten nemen volgens Karlheinz Deschner. Een Sint Venerius was tussen 400 en 408 na Chr. aartsbisschop van Milaan. Hij was bevriend met St. Paulinus van Nola, Delphinus van Bordeaux en Chromatius van Aquileia. In 1579 werden zijn relieken overgebracht naar Milaan. Zijn kerkelijke feestdag is op 4 mei, wanneer wij de doden toch al herdenken. Het verhaal gaat, dat zijn relieken zo prominent opgesteld stonden in de kerk in Milaan, dat de vergelijking met een vuurtoren als baken van het geloof gemaakt werd. Daarom zou hij de schutspatroon van de vuurtorenwachters geworden zijn. (Zie echter bij de heremiet en abt Venerius, verderop.) Er is vrijwel niets bekend over het leven van Sint Venerius, voor hij tot bisschop werd gekozen. Maar hij wordt genoemd door Paulinus,  een historicus uit de 5e eeuw. En Paus Anastasius schreef hem een brief over de veroordeling van de ideeën van Origenes en noemt hem ook in een brief aan John II, de bisschop van Jeruzalem.
In 404 nam St. Venerius het samen met Chromatius, de bisschop van Aquileia, op voor Johannes Chrysostomos die onterecht uit Constantinopel was verbannen. Hun pleidooi leverde echter niks op. Karlheinz Deschner doet in het derde deel van zijn roemruchte serie Kriminalgeschichte des Christentums de achtergronden bij dit verhaal uit de doeken. Van deze serie zijn zes delen gratis te downloaden voor belangstellenden.

Patriarch Venerius en de val van Chrysostomus

Het draait allemaal om kerkpolitiek. Aan de ene kant staat Johannes Chrysostomus, in ca. 345 geboren uit Grieks-Syrische ouders te Antiochië. Deze Johannes Chrysostomus was een vooral bij de gewone, arme gelovigen geliefd prediker en rechtlijnig uitlegger van bijbelteksten. Hij wordt in het jaar 398 tegen zijn zin door – de Rome onwelgevallige Flavius – benoemd tot aartsbisschop van Constantinopel, welke functie hij van 26 februari 398 tot 403 ook bekleedt. Ondanks deze hoge positie blijft hij trouw aan zijn ascetische opvattingen en treedt hij op als boeteprediker, die vrijmoedig kritiek levert op o.a. losbandige vrouwen uit de betere klassen.

Zijn grote tegenstander is Theophilus, de patriarch van Alexandrië, die Constantinopel aan zijn eigen gezag wil onderwerpen. Hij baalt, dat Johannes Chrysostomus daar tot patriarch is benoemd en doet alles om hem weg te krijgen. Een welkom wapen in de strijd is de tot ‘ketter’ verklaarde Origenes. De bestrijding van diens ideeën is voor Theophilus een mooie dekmantel om Chrysostomus uit te schakelen. Hij strooit praatjes rond, dat Chrysostomus al te sympathiek tegenover Origenes’ ketterij staat. Ook vervalst Theophilus doodleuk preken van Johannes om zijn gelijk kracht bij te zetten. Voorts spant hij de vrouw van Arcadius, de keizer van het Oost-Romeinse Rijk, voor zijn karretje. Deze Aelia Eudoxia voelt zich toch al persoonlijk aangesproken door Johannes’ kritiek op extravagant geklede vrouwen en kan dus gemakkelijk tot zijn vijandin gemaakt worden. Theophilus smeedt zorgvuldig een alliantie en als hij zich sterk genoeg acht, belegt hij in 803 een synode, waar Johannes schuldig wordt bevonden aan verraad jegens de Kerk. Dus wordt hij afgezet en verbannen. Maar terwijl hij in juni 404 ’s nachts op een schip wordt weggevoerd, krijgt Eudoxia een miskraam. Dat legt zij uit als straf van God. Dus komt ze tot inkeer en Chrysostomus wordt gerehabiliteerd. Maar Theophilus rust niet, blijft intrigeren en ten slotte slaat Chrysostomus alsnog op de vlucht. Zijn vijanden proberen de herinnering aan hem totaal uit te wissen. Drie jaar lang wordt hij overal opnieuw verjaagd. In zijn nood stuurt hij brieven aan de bisschoppen van Rome, Milaan en Aquileia om het voor hem op te nemen. Maar de gewiekste Theophilus heeft drie dagen voor die brieven arriveren, al een ijlbode naar de paus gestuurd en kort daarna nog een met een uitvoerig pleidooi, waarin de ‘schurftige pestlijder en waanzinnige tiran’ Chrysostomus, die er prat op gaat ‘zijn ziel aan de duivel te hebben verkocht om echtbreuk te kunnen plegen’ ongehoord leugenachtig wordt beschuldigd. De nog een tikkeltje doortraptere paus Innocentius I schrijft hierop in twee identieke brieven aan beide partijen, dat hij met beiden op dezelfde vriendelijke voet wil blijven omgaan. Hij overtuigt keizer Honorius, dat men het beste een concilie over de zaak kan beleggen. Maar de vijfkoppige delegatie van de keizer en de paus, onder wie bisschop Aemelius van Benevent, de leider, Venerius van Milaan en Chromatius van Aquileia, wordt al bij aankomst in Athene getreiterd. In Constantinopel worden ze net zo behandeld en keizer Arcadius weigert hen zelfs maar te ontvangen. In plaats daarvan worden ze gearresteerd en opgesloten in kastelen aan de kust. Men probeert hen met steekpenningen om te kopen opdat ze de steun aan Chrysostomus en aan zijn opvolger opgeven. Maar Aemelius, Venerius en Chromatius weigeren. Daarop worden ze het land uitgezet. Wanneer zij vier maanden later teruggekeerd zijn, spreken ze in hun verslag over ‘babylonische misdaden.’ Aan de door maagpijn en duizeligheid geteisterde Chrysostomus stuurt Innocentius een troostbrief, waarin hij de benarde vluchteling maant om toch vooral geduld te hebben en zich te schikken in de wil van God. Ook wijst hij hem op de voordelen van een schoon geweten. Het lukt zijn tegenstanders dan ook om Chrysostomus uiteindelijk te laten verbannen naar de oostkust van de Zwarte Zee. Op weg naar dit verbanningsoord sterft hij op 14 september 407 in Komana in Pontus (nu: Tokat).

De patriarch Venerius wordt na zijn overlijden op 4 mei 409 begraven in de kerk van St. Nazarius en Celsus in Milaan.

Venerius van Tino, de heremiet en abt

De heremiet en abt Venerius is geboren op Palmaria en leefde van ca. 560 tot zijn dood in 630 na Chr. op het eiland Tino in de Golf van Genua, waarover hij later de schutspatroon werd, net als over de loodsen, die schepen in veilige havens leiden. Over het leven van deze St. Venerius bestaan helaas geen betrouwbare verslagen. Wel een legende, waarin kraaien hem voeden in de tijd dat hij als kluizenaar in het bos leeft. Maar dit is een wijdverbreid fenomeen in legenden en komt bijvoorbeeld ook voor in de verhalen over de oer-heremiet en monnik Paulus van Thebe, die in zijn grot 90 jaar lang door raven gevoed zou zijn met een half brood per dag.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Use of the image: Courtesy of the Pitts Theology Library, Candler School of Theology, Emory University

Hierboven de mooie gravure, die Raphael Sadeler I naar een tekening door Maarten de Vos heeft gemaakt van deze Venerius de Heremiet. Deze gravure is o.a. te vinden in het Rijksmuseum. Midden bovenin vliegen de vogels, die de heremiet gevoed zouden hebben, rechtsonder op de afbeelding staan de namen van de kunstenaars Sadeler en De Vos.
M. Patrick Graham, directeur van Pitts Theology Library, gaf welwillend toestemming om de prent hier op de site te zetten.

Na zijn dood in 630 zou er een heiligdom gebouwd zijn in Luni, waar hij geleefd heeft, om daar zijn relieken te bewaren. In de elfde eeuw moet dit heiligdom uitgebouwd zijn tot een compleet klooster. De resten daarvan bestaan nog. Wanneer de Vikingen en Moren steeds vaker aanvallen uitvoeren, worden de stoffelijke resten van St. Venerius de Heremiet overgebracht naar Reggio Emilia en geplaatst naast die van Sint Prospero van Reggio en die van Cosmas en Damian. Nog later verhuizen de relieken tijdens een plechtige ceremonie naar Tino. Hier wordt hij elk jaar op 13 september herdacht. Men draagt dan een standbeeld van hem naar zee. Daarna worden de vissersboten gezegend. Er bestaat nog een andere afbeelding, een icoon van de heremiet en abt Venerius. Naast de vuurtoren, die in 1884 op het hoogste punt van Tino is gebouwd, heeft men een klein museum ingericht, waar informatie over de abt en heremiet te vinden is.

Onder die afbeelding staat op de site in het Frans: ‘Proclamé en 1961 saint patron des gardiens de phares par la Congrégation des rites à Rome, moine et abbé du VIIè, il vécut dans le golfe de Gènes puis en Corse.’ Ik vertaal dat als: ‘Een monnik en abt uit de VIIe eeuw, die leefde bij de Golf van Genua in de buurt van Corsica, en in 1961  door de Congregatie van de Riten in Rome tot patroonheilige van de vuurtorenwachters is uitgeroepen.’ Dit ontkracht het verhaal over Sint Venerius, de aartsbisschop van Milaan boven, die op een baken van het geloof leek, zoals een vuurtoren voor de zeevarende een vast punt vormt.

 

 

 

De patriarch van Grado

Ook moet er een Patriarch van Grado met de naam Venerius hebben bestaan. Hij wordt in één publicatie genoemd, die in 8 bibliotheken te vinden is.
In het jaar 826 stuurt deze Patriarch Venerius een brief aan Lodewijk de Vrome en aan Lothar I met het verzoek, of zij de privileges willen bevestigen, die Karel de Grote ooit heeft verleend aan de kerk van Grado. Uit het schriftelijke antwoord van de beide heersers aan deze Venerius van Grado blijkt, dat zij hem naar Rome gestuurd hebben om een strijd uit te vechten met de patriarch Maxentius van Aquileia. Deze Maxentius komt echter niet opdagen. Daarom bevelen Lodewijk de Vrome en Lothar I, dat Venerius van Grado nog een keer naar Rome moet gaan om het conflict op te lossen door het voor te leggen aan de paus en aan een bode van het Frankische koningshuis. Het geval wordt besproken tijdens de Synode van juni 827 in Mantua, dus in de kerkelijke provincie Aquileia. Hierbij zijn aanwezig de patriarch Maxentius van Aquileia, de metropoliet Angilbert II van Milaan en Petronas van Ravenna alsmede twintig van hun bisschoppen, twee afgevaardigden van de paus en boden van de Frankische koning. Maar nu blijven de Patriarch van Grado Venerius en zijn bisschoppen weg! Waar het meningsverschil over ging en of er uiteindelijk een oplossing is gekomen, is niet bekend. Karlheinz Deschner noemt in het derde deel van zijn roemruchte serie ‘Kriminalgeschichte des Christentums’ op pagina 173 en 174 de voortdurende animositeit tussen Aquileia en Grado in hun streven om de metropoliet te worden.

Fresco

Sint Venerius is ook afgebeeld op een fresco uit de vierde eeuw, de Byzantijnse tijd. Maar dit fresco werd in de Renaissance overgeschilderd en pas in 1934 herontdekt. Staat- en letterkundig nieuwsblad Het Vaderland van 21 juli 1934 bracht in de avondeditie op pagina 10 het volgende bericht: ‘Gedurende herstellingswerkzaamheden in de zeer oude kerk van Portovenere (bij La Spezia) zijn na het verwijderen van een dikke kalklaag fresco’s uit den Renaissancetijd voor den dag gekomen die de wanden decoreerden, die in Byzantijnschen stijl in de IVde eeuw in den oorspronkelijk Romeinschen tempel waren aangebracht. Tot deze prachtige afbeeldingen behoorden een St. Sebastianus, een St. Catharina van Allesandria en een St. Venerius. Ook zijn de sporen gevonden van de Byzantijnsche absis, die in 1582 door de Genueezen werd afgebroken om plaats te maken voor een rechthoekig koor, dat thans achter het hoofdaltaar is.’

De volgende historische figuur, die we kunnen traceren, is de doge Franciscus Venerius uit Istrië, die in een brief uit 1554 ergens voor gewaarschuwd wordt.

Wenen

Volgens de prelaat en goedgelovige schrijver Adon uit Charles-le-Chauve, moet een uit Afrika verbannen Venerius als grondlegger van de stad Wenen beschouwd worden. Er is echter één bron, die deze al te fantastische theorie weerlegt. Ik vertaal hier het relevante stukje tekst uit het Frans: ‘Wenen kent net als alle oude machtige steden een prachtige geschiedenis en mythologie. De prelaat en goedgelovige schrijver Adon, die woonde in Charles-le-Chauve, gelooft dat Wenen nog voor het jaar 3225 AD is opgericht door Venerius, die uit Afrika was verbannen. Wenen kreeg de naam Bienna, omdat de stad in twee jaar [bîennio] werd gebouwd. Dit is hoogst twijfelachtig, want dan zou er bijna twintig jaar voor de grondlegging van Rome al Latijn zijn gesproken in de Dauphine.’ Verwijzing naar een monument, dat volgens de volkstraditie het graf van Pontius Pilatus of Venerius geweest zou zijn, lijkt alleen maar de dubieuze theorie van Adon te moeten bevestigen.

Antonius Venerius

Een bijzonder lot was ook Antonius Venerius beschoren. Hij was een van de 813 martelaren van Otranto, een stadje in het zuiden van Italië, die op 18 augustus 1480 massaal werden geëxecuteerd, omdat zij geweigerd zouden hebben om zich tot de islam te bekeren. Het verzet tegen de aanval door achttienduizend Turken was fel, maar vergeefs. Details van deze geschiedenis van massale slachting en martelaarschap staan ter discussie onder moderne historici zoals Nancy Bisaha (2004). Zou Otranto echter niet heroverd zijn in 1481, dan had de geschiedenis van Italië en west-Europa een heel andere loop gekregen.

Vuurtoren en schip

Omdat St. Venerius de schutspatroon van de vuurtorenwachters is, wekt het nauwelijks verbazing, dat ooit een schip met de naam Venerius gedoopt werd. Dat maak ik althans op uit het onderstaande berichtje dat de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 11 september 1865 op pagina 5 bracht.

Leave a Reply